Beloften

Een vriendin die vanuit de gereformeerde traditie schrijft, wees me op een artikel van haar hand over het thema beloften. Aan de hand van psalm 74 nodigt ze uit de Schrift te onderzoeken, maar vooral uw beeld van God die beloften doet aan mensen, te overwegen.

Ik zou u van harte willen uitnodigen het artikel te lezen, en vooral, met de vragen die gesteld worden aan de slag te gaan.

 De psalm die daarbij nodig is, luidt in de Willibrord 1995 vertaling:

 

1 Een kunstig lied op naam van Asaf.

 

O God, waarom hebt U ons voorgoed verstoten?

Waarom snuift uw woede naar de kudde die U weidt?
2 Gedenk het volk dat U eertijds hebt verwekt,
bevrijd de stam die uw eigendom is,
de berg Sion die U hebt betrokken.
3 Bouw vol geestdrift onze puinen weer op,
herstel wat de vijand in uw tempel vernielde.
4 Midden in uw heiligdom joelen de vijanden,
hun zegetekens hebben zij daar geplant.
5 Als houthakkers die hoog met hun bijlen
bomen en struiken neermaaien,
6 zo hakken zij rond met bijl en houweel,
slaan zij al het snijwerk aan stukken.
7 Zij hebben uw tempel in brand gestoken
en het huis van uw naam grondig ontheiligd.
8 Zij gromden: ‘Alles vernietigen wij,
en Gods huizen hebben zij overal verbrand.’
9 Geen tekens en geen profeet zien wij meer,
en niemand van ons weet voor hoe lang.
10 Hoe lang, o God, zal uw vijand U bespotten?
Zal de vijand voor altijd uw naam trotseren?
11 Waarom weerhoudt U uw hand?
Waarom legt U uw rechterhand in de schoot?
12 Maar toch is God mijn koning van oudsher
die reddende daden verricht hier op aarde.
13 U hebt in uw macht de zee gekloofd,
op het water de schedels van de draak verpletterd.
14 De koppen van Leviatan hebt U vermorzeld
en aan de haaien tot voedsel gegeven.
15 Bronnen en beken hebt U laten ontspringen,
boordevolle stromen hebt U drooggelegd.
16 Van U is de dag, net als de nacht;
zon en maan hebt U hun plaats gegeven.
17 U hebt alle grenzen van de aarde bepaald;
winter en zomer hebt U ontworpen.
18 Bedenk, HEER, hoe de vijand U bespot,
hoe verdwaasd men spot met uw naam.
19 Geef uw tortelduif niet prijs aan vraatzuchtige beesten,
vergeet toch het lot van de armen niet.
20 Houd uw oog gevestigd op het verbond:
tot in de verste uithoeken woont het geweld.
21 Laat geen verdrukte beschaamd moeten vluchten,
laat armen en zwakken uw naam prijzen.
22 Sta op, o God, en voer uw pleidooi,
bedenk dat dwazen U heel de dag bespotten.
23 Vergeet het gejoel van uw vijanden niet,
het aanhoudend geschreeuw van wie tegen U opstaan.