Scheiding der werelden

Soms lees je een gedicht dat je onmiddelijk kippenvel bezorgt. Ik heb die ervaring iedere keer opnieuw als ik "scheiding der werelden" van Wies Moens lees.

Wies Moens zelf was, zeker naar huidige maatstaven, bepaald iemand met zorgwekkende ideeën. "Fout in de oorlog" zou je zeker in Nederland zeggen. Maar daarnaast ook een trotse vlaming, en een zeer gelovig katholiek.

En juist om dat laatste draait het in dit gedicht. 

 

Het is duidelijk het werk van een strijdbaar, en orthodox of zo u wil conservatief katholiek. Het stamt uit een belevingswereld en een tijd waarin vormelingen tot ridder van Christus werden, en waarin op school de dringende vraag werd gesteld of je wel bereid zou zijn als martelaar te sterven voor je geloof.

 

Misschien vindt u het wel een schokkend gedicht, misschien wel totaal achterhaald. Ik zal u niet vragen het mooi te vinden, of er mee in te stemmen. Maar wel om het te lezen, u zoveel u kan te verplaatsen in de dichter, en het dan nog eens te lezen. Stuit het u tegen de borst? Wat precies wekt uw weerzin? Of herkent u er juist iets in dat u zich met weemoed herinnert?

  

Scheiding der werelden

Wereld van de valse goden,
van ééndagsmachten, waan en schijn,
ik heb een zwaard gezet tussen mij en u.
Anderen deden zoals ik.
Honderden of enkelen maar?
Niet het aantal zwaarden telt mee,
slechts de kracht van het staal
waaruit zij werden gesmeed.

Wereld, gij dààr,
ik wil uw woordgesnor niet horen,
uw voze vertoning niet zien.
Wat gij vooruitgang noemt, laat me koud.
Ik erken alleen den opgang, versta dit goed:
den op-gang van Mens en Volk.
Ik wijs uw aanpassing af,
die nooit anders is
dan aanpassing-benedenwaarts:
een omlaagdrukken,
van het Eeuwige naar ‘t vergankelijke,
van het Gave naar ‘t ontwrichte,
van het Grote naar de middelmaat. Enzovoort.
Ik walg van de walmen uit uw mengpot,
ademen wil ik in een zuivere lucht.
De platte paden uwer gelijkmaking
zal mijn voet nooit betreden.
Ik huldig mijn God
in de Ordening van het geschapene,
loof Hem in Harmonie
die het verscheidene tezamenbindt.

De enkelen en ik,
wij blijven aan dézen kant.
ieder een wachter bij de schat,
ons toevertrouwd door geslacht na geslacht,
bij de dingen die zijn van altijd:
geworteld in den warmen grond van het leven,
gericht op datgene
wat eindloos het leven overstijgt

Wij zijn de minderheid,
de tegenstand der weinigen,
stil en hardnekkig,
die het brallen van uw menigten
maakt tot een ijdel laweit,
verwaaiend met den wind,
uw faam tot zand
dat wegstuift in zee.

Tussen ons en u staat het zwaard:
kruisvormig ‘t gevest,
de snede vlijmscherp
en de spits een ondoofbare vlam.