Afgelopen week was ik met het gezin een weekje in Avignon. Mooi weer, lekker kamperen, op zich niets bijzonders.
Maar Avignon heeft één nogal opvallende bijzonderheid. Eeuwen geleden was dit het ballingsoord van een tiental pausen die zich in Rome niet meer veilig voelden. Het pauselijk paleis torent boven de stad uit, met centraal een enorm gouden Maria-beeld dat als het ware vanuit de hemel neerkijkt op de levensgrote kruisscene tientallen meters lager.
Het kost weinig moeite je voor te stellen hoe indrukwekkend een bezoek aan deze pauselijke stad geweest moet zijn voor pelgrims en anderen.
Wie het pauselijk paleis zelf bezoekt komt als eerste in de kamer van de belastinginners en boekhouders, met daarnaast de pauselijke schatkamer.
Wie cynisch is zal zeggen: ja, daar heb je het gedonder al. Wel veel over God, Jezus en allerlei evangelische waarden praten, maar intussen rijkdommen verzamelen. Geen wonder dat de paus Rome moest ontvluchten, en dat de Kerk het tot de dag van vandaag zo zwaar heeft. En ja, daar zit wat in. Het pauselijk hof in Avignon blonk uit door geldsmijterij, verkwisting en ongehoorde luxe. De paus was een werelds heerser, vaak strijd en zelfs oorlog voerend met andere wereldse heersers, de keizer voorop.
Maar de andere kant is wel dat we soms wat te gemakkelijk vergeten dat de Kerk een gemeenschap van mensen is die samen verantwoordelijkheid neemt voor elkaar, en voor de gezamelijke viering van het geloof. En ja, dat kost geld. We kunnen nu terugkijken op de fouten van de pausen in Avignon, we kunnen ook in verwondering knielen onderaan een kruis in datzelfde Avignon en intussen bedenken dat de Kerk van eeuwen mede bestaat doordat ze zich altijd duidelijk zichtbaar heeft gemaakt in de wereld.
Ik zie het zelf van beide kanten. Kritiek kan en moet soms, maar ik zie toch eerst en vooral het wonder van de Kerk.